Hildo Krop (1884-1970)

Nederlands beeldhouwer, bouwbeeldhouwer, monumentaal kunstenaar, edelsmid, graficus, keramist, medailleur, meubelontwerper, sierkunstenaar, tekenaar, schilder van arbeiders, dieren, figuurvoorstellingen, paarden, portretten,

Bekend door zijn krachtig en geladen, enigszins gedrongen werk o.a. voor vele bruggen in Amsterdam en koppen voor het Scheepvaarthuis. Voorts monument op de Afsluitdijk (1935), het Berlagemonument, Victorieplein, te Amsterdam (1963-66) en portretten.

Hildo Krop was een beeldend kunstenaar van sociaal-democratisch, later communistisch gezindte: ''als ik aan Kunst denk, denk ik aan de Gemeenschap''

Geboren te Steenwijk 26 februari 1884, gestorven in Amsterdam 2 augustus 1970,

De in Steenwijk geboren Hildebrand Lucien (Hildo) Krop was de zoon van Hendrik Krop, bakker, en Johanna ouisa Cordes. Behalve twee zoons en vier dochters telde dit bakkersgezin een jong wees geworden nichtje en inwonend personeel. Zijn vader was vrijdenker, lid van de geheelonthoudersbond en vrijzinnig democraat, maar hij nam zijn zoons ook mee naar bijeenkomsten waar F. Domela Nieuwenhuis en P.J. Troelstra spraken. Van 1899 tot 1923 was hij wethouder. Volksschrijver Gerard Reve kon het niet laten de socialistische familie Krop in De Avonden te portretteren.

Krop was een leven lang beeldhouwer. Zelfs zijn jeugd in het Amsterdamse Betondorp wees in die richting toen hij begon als leerling marsepeinbakker. Hildo was voorbestemd om de bakkerij over te nemen omdat hij niet, zoals zijn oudste broer, de rust had om te leren. Met veertien jaar leerde hij van zijn vader de eerste beginselen van het vak en ging daarna nog elders ervaring opdoen. In Leiden volgde hij boetseerlessen om marsepeinfiguren te kunnen maken. Hij werkte ook in Frankrijk en Italië als banketbakker en kok. Na allerlei omzwervingen kreeg hij in 1906 werk als kok op een Brits buiten bij het echtpaar Hubert Bland en Edith Nesbit. Zij behoorden tot de kring der Fabians en hier ontmoette Krop kunstenaars en intellectuelen. Toen de vrouw des huizes hem in zijn vrije tijd zag schilderen en tekenen, nodigde ze hem uit de huiskamerbijeenkomsten bij te wonen. Dit stimuleerde hem een zomercursus voor beeldende kunst te volgen.

Opleiding
École Libre Julian (Parijs) en Rijksakademie van beeldende kunsten (Amsterdam, 1908-1911)
De zeer politiek geëngageerde en bereisde chef-kok Krop werkte in 1906 in Kent, Engeland, en kreeg de raad van zijn toenmalige socialistische werkgeefster Edith Nesbit om zich als kunstenaar dienstbaar te maken. Terug in Nederland besloot hij tot verdriet van zijn ouders het bakkersberoep vaarwel te zeggen. Hij vertrok tenslotte met hun instemming naar Parijs om les te nemen op de vrije Académie Julien te Parijs.

In het cursusjaar 1908-1909 volgde hij beeldhouwlessen bij Bart van Hove aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Hier kwam hij onder invloed van het toen dominerende symbolisme. Bovendien kwam hij in aanraking met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en sloot zich omstreeks 1908 bij deze partij aan.

In 1909 leerde hij van John Rädecker, die uit een familie van uitvoerders kwam, hakken in steen. Zijn grote lichaamskracht kwam hem hierbij te pas.

Na het verwerven van de akte Middelbaar Onderwijs Tekenen in 1910 was hij korte tijd leraar aan de Hoogere Burgerschool te Haarlem, maar voor dit werk schoot zijn geduld tekort. Zijn ouders hadden ondertussen de bakkerij verkocht zodat er geen weg terug was.

Krop volgde van 1908 tot 1911 beeldhouwlessen aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam en kreeg vervolgens les van de beeldhouwers John Raedecker.

Hij behaalde in 1911 de 2de prijs bij de Prix de Rome, hetgeen hem opnieuw de gelegenheid gaf door Europa te reizen.

Met het einddiploma van de Rijksacademie op zak bracht hij de winter van 1911-1912 in Berlijn door en volgde de lessen van Georg Kolbe aan de Kunstgewerbeschule.

De sfeer lag hem niet. Via Rome kwam hij weer in Parijs, waar hij bij Jacob Bendien introk. Samen met diens zuster Lientje, met wie hij verloofd was, en zijn twee zussen vormden zij een pover ingerichte commune. Hij raakte bevriend met Ossip Zadkine en beiden maakten deel uit van de groep En taille directe, waarvan de leden zonder model uit steen hakten.

Hij vestigde zich in 1912 definitief in de hoofdstad.

Daar opdrachten voor beeldhouwwerk in de beginperiode aanvankelijk uitbleven, werkte de jonge Krop enige tijd bij de Amsterdamse meubelfabriek van W.Gieben, hij ontwierp en maakte meubels en leerde houtsnijden van A.M. Stoltz. Deze opgedane kennis kwam hem later goed van pas bij het ontwerpen en uitvoeren van meubels en het vervaardigen van houtsneden.

Het verzoek van de architect Piet Kramer een gevelsteen te ontwerpen voor het gebouw van de roemruchte Bond van Minder Marine Personeel in Den Helder vormde een keerpunt in zijn leven. De eenheid van architectuur en beeldhouwkunst stond in die jaren hoog in het vaandel van het socialistisch symbolisme. Het individualisme moest dienstbaar gemaakt worden aan het gemeenschapsbelang. Het streven van de arbeiders diende uitgedrukt te worden in algemeen verstaanbare symbolen. Krop beeldhouwde een anker – de naam van het bondsblad – dat niet lossloeg temidden van de woeste golven, die het van alle kanten belaagden. In 1914 werd het gebouw in gebruik genomen.

Scheepvaarthuis
Ook zijn tweede opdracht dankte Krop aan Kramer. Hij werkte mee aan het Amsterdamse Scheepvaarthuis, dat tussen 1913 en 1916 aan de Prins Hendrikkade gebouwd werd. Als assistent van H.A. van den Eynde, die met het beeldhouwwerk belast was, beitelde Krop een aantal portretten van de grote grondleggers der scheepvaart. Het gebouw werd tussen 1912 en 1916 in Amsterdam in nauwe samenwerking met de grote architecten van zijn tijd, De Klerk en Kramer, gebouwd en gold bijna onmiddellijk als een nieuwe, moderne richting in de architectuur: de Amsterdamse School.

SDAP
Ondertussen ontmoette hij Mien Sleef op een van de liederenavonden van amateurs die hij graag bezocht. Ze was de dochter van de vooraanstaande SDAP'er en typograaf J.W. Sleef, die als kind met de geruchtmakende misstanden in het weeshuis te Neerbosch te maken kreeg. Sleef was enige tijd voorzitter van de Amsterdamse SDAP-afdeling. Deze omgang zal zijn invloed op Krops politieke vorming niet gemist hebben. Anders dan Krop die goedaardig van karakter was, hoewel hij zeer boos kon worden, had Mien een felle en fanatieke natuur.

het gezin
Op 24 december 1914 trad hij in het huwelijk met Willemina Frederika Sleef, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Het gezin woonde naast het atelier aan de Plantage Muidergracht. Behalve hun twee kinderen Heleen en Johan, die voorspoedig opgroeiden, overleed hun derde kind Hein al heel jong. Krop maakte een dodenmasker van hem. Zijn beide andere kinderen zou hij vaak beeldhouwen. Hun woning lag vlak bij Artis, waar Krop graag dieren mocht tekenen: een inspiratiebron voor zijn latere ornamenten en sculpturen aan bruggen en gebouwen.

Dienst Publieke Werken
Krop had de opdracht van het Scheepvaarthuis te danken aan zijn vriend Piet Kramer, die hem ook na het Scheepvaarthuis tot aan zijn dood van opdrachten zou blijven voorzien. Kramer en ook Krop hadden goede contacten met de Dienst Publieke Werken in Amsterdam, die verantwoordelijk was voor alle gemeentelijke gebouwen. Vooral de nieuwe bruggen in Amsterdam werden veelal door Kramer ontworpen en vaak door Krop van beeldhouwwerk voorzien. Het is in vele delen van Amsterdam onmogelijk enkele stappen te gaan zonder werk van Hildo Krop aan gevels of bruggen te zien.

Nu Krop de zorg voor een gezin had, zocht hij een vaste bron van inkomsten. Op aanraden van Kramer vroeg Krop een onderhoud aan met de directeur van Publieke Werken. Het duurde even voor hij A.W. Bos zelf te spreken kreeg. Deze was een voorstander van de nieuwe richting, die met de bouw van het Scheepvaarthuis ingeslagen was. De wethouder van Publieke Werken machtigde Bos om Krop voor de helft van diens werktijd een vast dienstverband aan te bieden. Op 16 juni 1916 werd dit door Burgemeester en Wethouders van Amsterdam bekrachtigd. Voor de rest van zijn leven was Krop nu officieel stadsbeeldhouwer tegen een bescheiden loon. Toen Krop later een keer met Zadkine door Amsterdam liep, waar ondertussen veel van zijn beelden stonden, riep deze uit: 'Nom de Dieu, tu dois être millionnaire'. Dat was bepaald niet het geval.

Zijn eerste werkstuk voor de gemeente was een granieten sluitsteen boven de ingang van een school in de Transvaalbuurt, een volksbuurt in aanbouw.

Sedert de woningwet van 1901 kregen gemeenten en woningbouwverenigingen nieuwe financiële mogelijkheden. Krop ontwierp ook veel sculpturen, die dieren en vogels uitbeeldden, voor de bruggen van Kramer. Er ontstond een conflict toen Krop zich fel verzette tegen Kramers plan de modellen voor de brug aan de Amsteldijk in Duitsland te laten hakken, waar dat door de inflatie goedkoper was. Krop wilde de eigen uitvoerders niet het brood uit de mond stoten. Toen Krop erachter kwam dat Kramer de modellen stiekem naar Duitsland had laten vervoeren, ontstond tussen beiden een verwijdering. Later draaide Krop bij.

De eerste grote opdracht voor de gemeente in de jaren 1916-1919 betrof de ornamenten voor het hoofdgebouw van de gemeentelijke telefoondienst aan de Herengracht. Aan zijn afkeer van de oorlog kon hij uiting geven in de belangeloos uitgevoerde opdracht voor het Belgenmonument te Amersfoort ter nagedachtenis aan de geïnterneerden, die tijdens een opstand tegen de Nederlandse bewaking om het leven gekomen waren. Zijn ontwerp werd op politieke gronden afgekeurd. Men werd het eens over een monument dat hulde bracht aan de gastvrjheid die Belgische vluchtelingen hier genoten. Voor het bovenste gedeelte van het monument werd de Zwitserse beeldhouwer François Gos aangetrokken. Onderaan zijn de fusillade, internering en uittocht van Krop ondergebracht.

In 1918 verliet Krop de SDAP vanwege een advertentie in Het Volk voor de negende Duitse oorlogslening. Waarschijnlijker is dat zijn enthousiasme voor de Russische Revolutie en de jonge Sovjet-staat de doorslag gaf. Hoewel geen SDAP-lid meer kreeg hij toch de opdracht op de Nieuwe Oosterbegraafplaats een grafmonument te maken voor de in 1918 overleden Albert Hahn. Het werd een arbeider met vrouw en kind op weg naar een stralende toekomst.

Het echtpaar Krop bewoog zich de rest van hun leven in communistische kringen. In 1921 ontwierp Krop de omslag voor het boek van H. Roland Holst Uit Sovjet-Rusland. Voor De Tribune maakte hij in de jaren twintig politieke houtsneden, onder meer van de begrafenis van een mijnwerker. Bij het tienjarig bestaan van de Sovjet-Unie vervaardigde hij een legpenning. In 1931 boetseerde Krop een portretbuste van V.I. Lenin, die levenslang op zijn atelier stond. In 1932 maakte hij een reis naar de Sovjet-Unie en verbleef daar drie maanden. Hij liet zich hierover zeer positief uit. Een beeld van een dijkwerker werd op een grote CPN-bijeenkomst in het Amsterdamse Concertgebouw gepresenteerd ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van de Sovjet-staat en kreeg een plaats in een park te Moskou. Th. de Vries had er een inscriptie bij gemaakt. Dat Krop geen lid van de communistische partij werd, had er mee te maken dat hij zijn positie als stadsbeeldhouwer niet in gevaar wilde brengen. Ook speelde de bereidheid van het echtpaar Krop inlichtingenagenten van de Sovjet-Unie te huisvesten en van dienst te zijn een rol. Krop had eerst contact met de agent Max Friedman, die hem vervolgens in aanraking bracht met zijn opvolger Ignace Reiss. Met de laatste ontstond een vriendschap, die onder meer resulteerde in logeerpartijen en een indringende portretbuste van deze 'meneer Ludwik'. Het moet een schok voor Krop geweest zijn toen Reiss, die half juli 1937 met de Sovjet-staat brak, kort daarop omgebracht werd door een moordkommando van de geheime dienst GPOe. Op 17 juni had Krop Reiss nog op de achterkant van een menukaart geportretteerd tijdens een etentje in het Amsterdamse Americain Hotel.

Krop hield zich niet geheel politiek afzijdig. Zo was hij lid van de radicale Socialistische Kunstenaars Kring, waarvan zowel sociaal-democraten als communisten lid waren, en van de Bond van Kunstenaars ter Verdediging van Kulturele Rechten.

In zijn houtsneden, in het bijzonder in de prenten die hij maakte voor De Tribune, betoont Krop zich een overtuigd strijder voor een betere samenleving met meer gelijkheid en solidariteit. In dit krachtig sprekende (veelal) zwart-en-wit werk laat de kunstenaar niet alleen zien dat zijn houtsneden een wezenlijk onderdeel vormen van zijn oeuvre maar onderstrepen deze ook heel nadrukkelijk de veelzijdigheid van zijn kunstenaarsschap. Zo zullen de kenners van zijn werk ontdekken dat diverse houtsneden, qua voorstelling en uitvoering, kunnen worden opgevat als ontwerpen voor later uitgevoerd beeldhouwwerk. Als voorbeeld in dit verband noemen we de prent: De oude en de nieuwe wereld (1919 of eerder). Deze houtsnede gelegd naast het gelijknamige beeldhouwwerk uit 1919 en één van de drie reliëfs die Krop maakte voor het Belgenmonument te Amersfoort(1917) en de relatie is duidelijk.

Uit het begin van de jaren twintig stamt Moeder Aarde, voorgesteld als een gehurkte vrouwenfiguur die een op schoot liggende figuur vasthoudt. Daaromheen zijn onder meer een steenbok, een roofvogel en een slang afgebeeld. In 1958 huurde de gemeente dit beeld van Krop voor een wisselende expositie van beeldhouwwerken in het Weteringplantsoen. Het viel zo in de smaak dat de gemeente het tenslotte aankocht.

Vooral in de jaren twintig was Krops productie hoog, ondanks een zware operatie in 1922 waarbij een nier weggenomen werd. Onder collega's en vooral de jongeren bestond geregeld gemor tegen zijn monopoliepositie in Amsterdam. Krop wist deze in hoofdzaak te handhaven door toe te zeggen ook ruimte voor anderen te laten. Zo vervaardigden J. Rädecker en J. Mendes da Costa, evenals Krop, beelden voor de nieuwe stadhuisvleugel.

In 1925 werden Krop, L. Zijl, Mendes da Costa en Rädecker ingeschakeld bij de 'Exposition des arts décoratifs et industriels modernes' in Parijs.
In de loop van de jaren twintig was Krop de belangrijkste beeldhouwer van de Amsterdamse School, wat in 1925 uitmondde in de vervaardiging van het beeldhouwwerk aan het Nederlandse Paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1925 in Parijs, ontworpen door H. Staal. Hij verkreeg hier tevens een prijs voor zijn beeldhouwkunst. Krop woonde tijdens het werk een half jaar in het woonhuis-atelier van Zadkine. Ook in Parijs ging hij, zoals hij gewend was, gekleed in een wijde broek, een boezeroen met bretels en op klompen. Hij trad er op als zijn eigen uitvoerder, tot het werk hem boven het hoofd groeide. Het paviljoen was nog geheel in de stijl van de Amsterdamse School opgetrokken in baksteen en versierd met gemetselde decoraties.

aardewerk
Interessant is ook zijn toegepaste kunst, dat dezelfde plastische vormgeving heeft als zijn beeldhouwwerk en aansluit bij de organische monumentaliteit van het werk van de meeste architecten van de Amsterdamse School. Krop was steeds bereid zich nieuwe technieken eigen te maken. Zo maakte hij maskers, ceramiek en kleine plastieken, waarbij hij zijn fantasie de vrije loop liet. Naar aanleiding van een olifant, die hij omstreeks 1925 voor zijn zoontje boetseerde, wilde hij leren glazuren. Bert Nienhuis leerde hem dit. Bert Nienhuis leerde hem dit. De in 1919 opgerichte Eerste Steenwijksche Kunst Aardewerk Fabriek (ESKAF), die tot 1927 bestond en waarvan zijn vader president-directeur was, bood Krop en anderen de gelegenheid gebruiks- en sieraardewerk te ontwerpen.

Krop vervaardigde zijn keramische ontwerpen eerst voor de fabriek ESKAF te Steenwijk maar later ook zelfstandig. Krop maakte voor de Eerste Steenwijkse Kunstaardewerk Fabriek (ESKAF) ontwerpen voor tegels, kleine plastieken en ander (sier)aardewerk. De stukken zijn vaak uitgevoerd in een Kenmerkende gemarmerde glazuur in de kleuren zwart en groen. Krops werk is van eenvoudige opzet van veelal gesloten blokmatige figuren met een allegorische betekenis.

meubelen
Net als veel architecten van de Amsterdamse School ontwierp Krop ook meubelen, die misschien wel tot de belangrijkste van die richting en van zijn eigen oeuvre behoren. Sommige ontwerpen hebben glooiende en vloeiende vormen, met soms onverwachte hoeken en doorsnijdende elementen. Krop had ook een voorliefde voor stekelige en puntige vormen, die vooral in het beslag spannend contrasteren met de hoofdvorm van het meubel. De meubelen werden uitgevoerd door de firma Nusink en Zn en soms door
't Woonhuys, beide te Amsterdam.

kinderbrug
Aan de 'kinderbrug' over het Zuider-Amstelkanaal bij het Muzenplein (1929-1932) werkten behalve Krop nog negen collega's, onder wie M. Vreugde, Fr. van Hall, H. van Lith en J. Kaas. De hoofdsculptuur, een steigerend paard met tussen de poten een klein meisje, was van Krop.

Door bemiddeling van J.F. Staal kreeg Krop in 1929 de opdracht beelden van krantenjongens voor het nieuwe gebouw van De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal te ontwerpen. In de jaren dertig kwamen er minder gemeente-opdrachten, zodat Krop meer tijd had voor particulier werk.

In de jaren dertig kwamen er minder gemeente-opdrachten, zodat Krop meer tijd had voor particulier werk. Een rijksopdracht was in 1933 het monument op de Afsluitdijk ter herinnering aan de afsluiting van de Zuiderzee. Binnen de architectuur van W. Dudok vervaardigde Krop een reliëf in brons, dat drie dijkwerkers voorstelde die bazaltblokken plaatsten. De sociale ellende bleef hem beroeren. In 1932 beeldde hij als vrij werk in eikehout een werkloze uit. Behalve beelden rond zijn hoofdthema's arbeiders, vrouwelijke naakten met een symbolische betekenis en de natuur, heeft hij ook filosofen uitgebeeld: Erasmus (in de tuin van het Vredespaleis in Den Haag en voor het Vossius-gymnasium Amsterdam), Spinoza (Spinoza-lyceum in Amsterdam), Descartes (voormalig Cartesius-lyceum in Amsterdam).

In de bezettingsjaren kwam tijdelijk een einde aan Krops dienstverband met de gemeente. Hij werd geen lid van de Kultuurkamer en was actief in het verzet.

vanaf 1945 mocht hij zich Stadsbeeldhouwer van Amsterdam noemen om in die hoedanigheid veelvuldig en krachtdadig op te treden in commissies voor de totstandkoming van verzets- en oorlogsmonumenten.

Na de oorlog maakte hij een grafmonument voor de terechtgestelde Februari-stakers op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Een geklede vrouwenfiguur met wapperende vlag symboliseert de vrijheid. Krop gaf bij herhaling blijk van zijn waardering voor de jonge garde. Zijn credo was: 'Een kunstenaar mag niet anders wezen dan een instrument. Hij schrijft het lied van zijn tijd in vorm en kleur voor de komende geslachten, beter en schoner dan welke staatsman of welke geschiedschrijver ook'. Het beeld was voor hem een symbool.

Intussen werkte hij gestaag door. In 1961-1962 maakte hij nog een Troelstra-beeld dat op het Oldehoofster Kerkhof in Leeuwarden een plek gekregen heeft. Bekend is zijn massale Berlage-standbeeld op het Victorieplein in Amsterdam, dat in de jaren 1956-1966 tot stand kwam. Aan de zijkanten van de sokkel zijn een metselaar, een steigerbouwer, een beeldhouwer, een opperman en een tekenaar uitgebeeld, een eerbetoon aan de anonieme arbeiders, zonder wie het werk van Krop niet tot stand had kunnen komen. Burgemeester G. van Hall, die het beeld in december 1966 onthulde, sprak van een grote geestelijke en fysieke prestatie van de ruim tachtigjarige.

De stadsbeeldhouwer van Amsterdam, Hildo Krop, is in 1970 overleden.
Tot het laatst bleef Krop bezig. Tijdens het werk op zijn atelier bezweek hij tenslotte aan een hartaanval. Het echtpaar Krop ligt begraven op Zorgvlied in Amsterdam. Het beeld van 'De eeuwige vrouw', dat Krop voor het Amsterdamse paviljoen in Parijs maakte, is op het graf geplaatst. Op 4 oktober 1989 werd in Steenwijk het wooncentrum Hildo Krop van de Humanistische Bouwstichting Bejaardenhuisvesting geopend.

vrij werk
Naast zijn toegepaste beeldhouwwerk maakte Krop ook vrij werk, dat in de vorm van kleine sculpturen
of ook wel monumentaal werk werd uitgevoerd.

Hildo Krop bruggenroute

Deze wandeling van ca. 2 uur geeft een goede indruk van de invloed van het werk van Hildo Krop op het vooroorlogse stadsbeeld van Amsterdam Zuid. Met name bij bruggen is werk van hem te bezichtigen.
De wandeling voert achtereenvolgens langs de volgende locaties: brug over het Noorder Amstelkanaal, Reinier Vinkeleskade, Gerrit van der Veenstraat, Lyceum brug, Hygieaplein, brug over het Zuider Amstelkanaal, brug van de Beethovenstraat, brug bij het Muzenplein, Apollolaan, brug naar de Hobbemakade en brug over de Boerenwetering. De onderstaande text is in principe voldoende om deze route te kunnen volgen. Het gebruik van een plattegrond is echter aan te bevelen.

Achtergrond
De dienst Publieke Werken van de gemeente Amsterdam werd sinds 1907 voortvarend geleid door ir. A.W. Bos. Deze had bewondering voor het beleid van de stad Wenen waar door architect Otto Wagner moderne kunstenaars waren ingeschakeld bij de stadsontwikkeling. Bos probeerde zijn dienst eveneens met andere dan bouwkundige krachten te versterken. Een daarvan werd Hildo Krop. Hij werkte samen met architecten als M. de Klerk, N. Lansdorp, C.J. Blaauw en P. Kramer. Aan hun gezamenlijke inspanning heeft met name Amsterdam -Zuid zijn karakteristieke en homogene stadsbeeld te danken.

Vooral een groot aantal bruggen in Zuid zijn versierd met beelden van Krop. Zijn voorliefde voor symboliek, kennis van de anatomie van dieren en de invloed van zijn, vaak socialistische, tijdgenoten zijn er in terug te vinden.

Deze wandeling maakt dan ook een cirkel tussen het Noorder en het Zuider Amstelkanaal en zal behalve een groot aantal bruggen ook een aantal losstaande beelden van Krop en gevelversieringen in dit gebied aandoen.

1. Brug over het Noorder Amstelkanaal
Neem eigen vervoer of tramlijn 5 of 24 vanaf Centraal Station naar het beginpunt van de wandeling: de brug over het Noorder Amstelkanaal tussen de Beethovenstraat en J.M. Coenenstraat (1925): op de peilers van de brug bevinden zich twee granieten sculpturen van Krop; robbekoppen uitlopend in golven en Orpheus met een lier. Krops grote kennis van , vaak exotische, dieren en planten stamt uit de tijd dat hij woonde en werkte aan de Plantage Muidergracht (vanaf 1920) en vele wandelingen maakte naar het nabijgelegen Artis. De tekeningen die hij hier maakte vormde een inspiratiebron voor zowel zijn vrij werk als de sculptuur aan bruggen.

2. Reinier Vinkeleskade
Loop vervolgens langs het Fons Vitae Lyceum, langs het water de Reinier Vinkeleskade af tot nummer 62. Hier is de Joke Smit School gevestigd, vroeger het Gemeentelijk Lyceum voor meisjes (1925-1926, Architect N. Lansdorp). De ingang is versierd met twee beelden uit graniet, links `Arbeid' en rechts `Vrije tijd', verder zijn er diverse gevelsteentjes uit graniet met bloesem en takmotieven (kastanje). Met zijn beeldhouwkunst trachtte Krop via motief en materiaalkeuze steeds de identiteit van een gebouw te verduidelijken en de sculptuur te integreren met de architectuur en de omgeving van een gebouw. De toepassing van een symbolische beeldtaal leerde hij door zijn samenwerking met architecten van de Amsterdamse School bij de bouw van het Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade (vanaf 1913). In de architectuur van de Amsterdamse School speelde de beeldhouwkunst niet meer de ondergeschikte rol die haar door Berlage was toebedeeld. In de ideologie van deze expressionistische stroming behorende kunst toe aan het volk. De leden verlangden naar een hechte gemeenschap en zetten zich af tegen het individualisme van de Tachtigers. Beeldhouwkunst moest daarom prijken aan gebouwen, in plantsoenen, op pleinen en aan bruggen. Het tijdschrift Wendingen was hun spreekbuis. Naast Krop worden Hendrik van den Eijnden (hoofdbeeldhouwer naast Krop bij het Scheepvaarthuis), John Raedecker (leermeester van Krop), Johan Polet en Jan Bronner (klasgenoot aan de Rijksacademie) tot de belangrijkste beeldhouwers van de Amsterdamse School gerekend.
Aangezien ook in het onderwijs in deze tijd de algehele vorming van de mens centraal stond is de combinatie van arbeid en vrije tijd voor de hand liggend. Arbeid heeft bij Krop een positieve en lauterende betekenis. Hijzelf kwam uit een vrijzinnig democratisch milieu. Zijn vader Hein Krop, bakker en wethouder te Steenwijk, was niet bij een partij aangesloten maar bezocht met zijn zonen bijeenkomsten waar Troelstra en Domela Nieuwenhuis spraken. Als kok in Engeland kwam Krop met het socialisme van de Fabians in aanraking wat hem stimuleerde om van beroep te veranderen. Van 1908 tot 1918 was hij zelf lid van de SDAP. Ondanks zijn, sinds die tijd, politieke ongebondenheid bleef Krop hopen op een betere samenleving met meer gelijkheid en solidariteit.

3. Gerrit van der Veenstraat
Loop de Reinier Vinkeleskade verder af tot aan het einde. Sla linksaf de Breitnerstraat in. Loop deze uit, steek de Apollolaan over, en vervolg de weg via de Rubensstraat tot aan de Gerrit van der Veenstraat. Aan de linkerhand op nummer 99 bevindt zich de Gerrit van der Veen Scholengemeenschap, vroeger de Gemeentelijke MMS (1928-1939, architect N. Lansdorp). Bovenop de toren staan twee bronzen beelden: een man met sikkel en pikhaak en Amor. Aan de zijde van de Rubensstraat bevinden zich drie kleine beeldjes aan de bakstenen bogen , die de schilder Jan Sluyters en een opspringend hert voorstellen. Aan de achterzijde van de school bevindt zich aan de binnenplaats een gymzaal. Aan de lange zijde van de gymzaal zijn achtereenvolgens te zien: clown op een gymnastiektoestel, staand meisje met een tennisracket en een staand meisje met een roeispaan, allemaal uit gebakken aarde.

4. Lyceum brug
Loop de Gerrit van der Veenstraat in westelijke richting helemaal uit tot aan het Olympiaplein. Sla rechts af en loop door tot aan de Apollolaan. Sla links af. Aan uw rechterhand ligt het Amsterdams Lyceum. Bij de `Lyceumbrug' (ca. 1930) bevinden zich twee pijlerbekroningen uit Franse kalksteen: moeder en dochter, vader en zoon, verder twee paalversieringen uit Franse kalksteen: een meisje en een jongen.

5. Hygieaplein
Ga, maar nu aan de overzijde, het Olympiaplein weer op, en ga meteen bij de Herculesstraat naar rechts. Loop door tot de Maratonweg, sla naar links en loop verder tot het Hygieaplein. Aan uw rechterhand, op nummer 40, bevindt zich de Europaschool, vroeger de Voorbereidende Montessorischool (1924-1927, architect N. Lansdorp) Aan de onderzijde van het gebouw bevinden zich panelen met relieftegels van okerkleurig gebakken aarde met daarop voorstellingen van dieren en speelgoed. De tegels zijn vervaardigd door ESCAF (Eerste Steenwijker Kunst Aardewerk Fabriek, opgericht in 1919) op dat moment een van de interessantste aardewerkfabrieken in Nederland waar moderne kunstenaars met nieuwe industri‰le proc‚d‚s experimenteerden. Krop maakte voor deze fabriek in zijn geboorteplaats naast relieftegels ook veel ontwerpen voor sier- en gebruiksaardewerk, waaronder het prestigieuze `Scarabea-aardewerk' dat vervaardigd werd tot 1921. Het was van hoge kwaliteit, gesigneerd en gestempeld met een mestkever; het symbool voor de eeuwige vernieuwing. Krops veelzijdigheid beperkte zich trouwens niet alleen hiertoe: hij beheerste vele technieken en had een nieuwe werkwijze snel onder de knie. Voor particuliere opdrachtgevers ontwierp hij eveneens vitrines, kasten, meubels, vloerkleden, behang, ivoren sierobjecten en zilveren serviesgoed.

6. Brug over het Zuider Amstelkanaal
Terug naar de Marathonweg en volg deze verder tot het Olympiaplein/Stadionweg, Steek de weg over en vervolg de weg via de Parnassusweg. Loop door tot de brug over het Zuider Amstelkanaal (1941- 1942): hier bevinden zich twee brugbekroningen uit graniet; een zwevende muze en een beeld met Berlage, Roland Holst en Mendes da Costa. Deze drie laatsten waren tijdgenoten en geestverwanten van Krop. De combinatie is mogelijk gekozen omdat zij in 1926 de sluiting van de Haarlemse Kunstnijverheidsschool probeerden te voorkomen.


7. Brug van de Beethovenstraat
Volg via de Stadionkade het Zuider Amstelkanaal in oostelijke richting en stop bij de kruising met de Beethovenstraat: aan weerszijde van de brug (1939-1940) bevinden zich granieten beelden op een sokkel. Allereerst `De handen van de schepper', een naakt mensenpaar gezeten tussen twee opgeheven handen. Aan de overkant van de weg `Nieuw leven', twee baby's die elkaar omhelzen omgeven door koolbladeren. Hier is een duidelijk verschil te zien met de brugbekroning aan de J.M. Coenenstraat die 15 jaar ouder is. De `brugbeelden' gaan in de loop der jaren steeds meer op vrije sculpturen lijken. Dat was in het algemeen een tendens in de beeldhouwkunst in Nederland in de jaren dertig. De Amsterdamse School raakte haar leidende positie in Nederland kwijt en moest plaats maken voor de Nieuwe Zakelijkheid. Door deze ontwikkeling veranderde de rol van de beeldhouwkunst van integraal onderdeel van de architectuur naar losstaande beelden, vaak met een klassieke inslag. Voor Krop betekende dit een ander type opdracht. Materiaalgebruik en maatvoering bleven wel in relatie staan tot de gebouwen. De beelden aan de Beethovenstraat tonen tevens elementen van Krops eigen gerichtheid in de jaren dertig op de `primitieve' kunst zoals de vroeg- Griekse en Romaanse. Met deze kunst deelde hij de opvatting dat leven een eeuwig worden, vergaan en opnieuw beginnen is. Het sociale element in Krops werk werd zo tot het kosmische verheven en kreeg een bijna sacraal karakter. Op deze plek wordt dat op een gelukkige wijze nog een keer benadrukt door de riante ligging van de beelden aan het water onder beschutting van bomen.

8. Brug bij het Muzenplein
Blijf het Zuider Amstelkanaal volgen via de Bernhard Zweerskade en loop helemaal door tot een t- splitsing, sla rechts af en loop via een brug naar het Muzenplein. De volgende brug (1929-1930) is gedecoreerd met twee beelden uit Beiers graniet: een jongen met konijnen en een meisje met eekhoorns.


Boven de pijlers van de brug staat een groot steigerend paard met een klein meisje tussen de voorbenen: `De onbevangenheid der mensen tegenover het leven' (1929-1932) eveneens uit Beiers graniet. In het plantsoen beneden langs de waterkant bevinden zich beeldjes van kinderen van de hand van onder meer Marinus Vreugde, Frits van Hall en Jaap Kaas. Het betrekken van meerdere beeldhouwers bij projecten in deze tijd, was het resultaat van kritiek binnen de Gemeenteraad op de monopoliepositie van Krop. De wethouder van Kunstzaken vond het resultaat vanuit artistiek oogpunt echter niet bevredigend; het werk van de diverse kunstenaars was te heterogeen om op zo korte afstand van elkaar geplaatst te worden. Bovendien wilde men bij Publieke werken geen verandering aanbrengen in de goede verstandhouding met Krop. Hij had dezelfde maatschappelijke opvattingen (socialistisch ge‹nspireerd) en was een goed organisator die voor een soepele afwikkeling van zijn opdrachten zorgde.

9. * Villa Muzenplein
Aan het Muzenplein bevindt zich aan de villa op nummer 1 een grote gevelsteen van de hand van Krop. Het is een steen uit Franse kalksteen voorstellende twee handen met daarboven een landschap met zon en wolken. De eigenaar van de villa woonde voorheen aan de Amstel. De voorstelling verwijst naar het licht boven de rivier dat hij op deze plek miste.

* Als bewoner van de villa op Muzenplein 1 viel mijn oog op uw beschrijving van de gevelsteen van Hildo Krop. Ik ken de door u gegeven uitleg, hij is hardnekkig vanwege het feit dat hij in de biografie van Hildo Krop voorkomt. Ik heb het huis in 1982 gekocht van de zoon van de bouwer en kan u daarom uit de eerste hand het volgende vertellen. De voorstelling geeft duidelijk de bocht in de Prinsengracht bij de Westertoren weer (de Westertoren is ook duidelijk herkenbaar en volledig afgebeeld). Daarboven bevinden zich donkere wolken en een zon die daar doorheen breekt. Onderaan vangen twee handen het zonlicht (dankbaar?) op. Het is een verwijzing naar de nieuwe hoop na afloop van de crisis van de 20-er en 30-er jaren. De bouwer (Krijn) was effectenhandelaar in Amsterdam en woonde inderdaad aan de Amstel, op de Amsteldijk, voordat hij dit huis bouwde. Hij had een moeilijke tijd achter de rug waar hij redelijk goed was uit gekomen. Het verhaal over missend licht slaat natuurlijk nergens op. Het huis aan het Muzenplein is op het zuiden gebouwd met drie terrassen, uitkijkend op het water van de Boerenwetering. Zoveel licht is er op de Amstel echt niet te vinden.

Gerard Bottcher - gbottcher@planet.nl


10. Apollolaan
Maak een draai terug van 180 graden en loop langs de Apollohal nog een stukje de Apollolaan in. Op nummer 1, een villa uit 1928 van de architect F.A. den Tex, bevinden zich veertien gevelstenen met dier en plantmotieven. Te zien zijn een harmonika spelende faun met tekkel, een dansende vrouw met bloem, een wezel en een boogschutter. De vorm van de stenen is ge‹nspireerd op de bewerkte kubussen die de architect in Indi‰ had gezien. De tekkel verwijst naar den Tex, de wezel naar de opzichter van Wezel. De steen is door Krop zelf in zogenaamde `taille directe' gehakken. Hij behoorde tot de internationale stroming van kunstenaars die er begin van deze eeuw weer toe overgingen zelf hun materiaal te bewerken. In Nederland waren hiervan John Raedecker en Johan Polet de pioniers geweest. In Engeland Henry Moore, in Frankrijk Bourdelle en Zadkine.

Doorlopend in de Apollolaan naar nummer 15 bevind zich daar de Voormalige Rijksverzekeringsbank (1940, architect D. Roosenburg). Voor de ingang bevinden zich twee nissen met meer dan levensgrote beelden. Krop maakte de allegorische mannenfiguur; `De beschermer en handhaver van de sociale wetgeving'. Dit beeld is duidelijk uit een latere periode dan de overige beelden op deze route. De vloeiende lijn die aansloot bij de typische stijl van de Amsterdamse School maakte bij Krop geleidelijk aan plaats voor een klassiekere vormgeving. In de loop van de jaren dertig werd Krops stijl strenger en strakker. hij liet zich inspireren door vroege Griekse beeldhouwkunst en de Italiaanse Romaanse kunst. De mannenfiguur heeft in zijn rechterhand een vrouwenfiguurtje die de sociale wetgeving symboliseert.
Frits van hall ontwierp het model voor de vrouwenfiguur in de tweede nis: `De beschermster van de Sociale Zorg en Gerechtigheid'. Tijdens de oorlog kwam Frits van Hall om en ging het model verloren. Na de oorlog is het beeld door Han Wezelaar opnieuw gemaakt. Beide beelden werden onthuld in 1954.

11. Brug naar de Hobbemakade
Sla nu rechtsaf en volg de Stadionweg tot aan de brug naar de Hobbemakade over het Noorder Amstelkanaal (1926-1927). De brug is versierd met vier beelden uit graniet: een bol met stermotief, een zeeslang met een grote kop en een faun met een mandoline. Bij het identieke beeld bespeeld de faun een harmonika. Aan de andere kant staat voor een pyloon een man wijdbeens met zijn handpalmen naast zijn schouders, omringt door een roofvogel en slang. Bij het identieke beeld is de figuur een vrouw.
Vanag 1917 tot begin jaren dertig kwamen in Krops werk naast dier en plantmotieven ook fabeldieren, fauntjes, saters en de Griekse god Pan veelvuldig voor. Dit is terug te voeren op het boek `Pan' van Herman Gorter uit 1912, een belangrijke inspiratiebron voor Krop en zijn socialistische tijdgenoten. zij zagen de wereld in een groot kosmisch verband en voelden zich deel van het heelal. Protest tegen de onderwerping van de natuur door de mens paste hierbij. In `Pan' komt via het verleden en het heden van de arbeiders de omwenteling naar de toekomst tot stand, wanneer de `Eenheid van de Geest der Menscheid met het heelal' zal zijn bereikt. Pan is de god van het heelal, de faun is zinnebeeld van het onbewuste, de ongerepte natuur. De verbondenheid tussen mensen onderling en mens en dier was een hoofdmotief in Krops werk.

12. Brug over de Boerenwetering
Neem vervolgens de eerste afslag rechts aan de Hobbemakade: de brug over de Boerenwetering naar de van Hillegaertstraat (1927). Aan beide zijden van de brug bevinden zich pijlerbekroningen uit graniet in de vorm van een mannenfiguur met geheven hand met naast hem trapsgewijs drie kleinere figuren. Ook hier kan Gorter weer een inspiratiebron geweest zijn gezien het motief van de trap: "O, Arbeiders, ik ben niets dan de trap, waarlangs uw Schoonheid naar de Toekomst stijgt". Naast die van Gorter was ook de po‰zie van andere socialistische literatoren een inspiratiebron voor Krop, met name C.S. Adama van Scheltema, Henriette Roland Holst en A. van Collem. Een gedicht van van Collem `De kunstenaar die de mensen de weg naar de hemel wijst" lag eveneens ten grondslag aan de voorstellingen op de twee brugpijlers. Krop probeerde zijn sculptueren een teken te laten worden. Een onderdeel van gemeenschapskunst die de richting aangaf naar een betere samenleving. Hij besefte dat zijn symbolisch idealisme wel eens tijdelijk zou kunnen zijn en moeilijk te begrijpen voor de van zijn wortels losgeraakte twintigste eeuwse mens. Hij bleef echter geloven in `ge‰ngageerde kunst'. Bij de opening van een tentoonstelling over zijn werk in 1960 in Groningen verwoordde hij het zelf zo: "Voor mij is de enige rede van bestaan van de kunstenaar dat er in de gemeenschap...geestelijke krachten leven die maken dat de mens niet leven kan van brood alleen en dat de mensen hun verlangens en idealen in vorm of klank of kleur willen zien of horen. Zolang die geestelijke krachten aanwezig zijn heeft de kunstenaar reden van bestaan. Zodra je je een toestand indenkt waarin die geestelijke krachten ontbreken, verliest de kunst elke zin".

Het eindpunt van de wandeling is nu bereikt. Als de Hillegaertstraat wordt uitgelopen komt men uit bij de Ferdinand Bolstraat waar men tramlijn 25 kan nemen naar Centraal Station. Een andere mogelijkheid is om terug te lopen naar het beginpunt: ga terug naar het begin van de Hobbemakade, sla rechts de Reinier Vinkeleskade in en loop door tot de J.M. Coenenstraat waar het beginpunt lag.
Hildo Krop Hildo Krop in actie Berlage - beeld van Hildo Krop Berlage beeld nu Brug Muzenplein versierd met beeld van Hildo Krop
Op onze website gebruiken we foto's die reeds op internet circuleren. Mocht u zichzelf als de intellectueel eigenaar van een afbeelding beschouwen en bezwaar maken tegen het gebruik van een afbeelding, neemt u dan gerust contact op met ons kantoor. Wij zullen de afbeelding dan in overleg met u vervangen of een correcte bronvermelding plaatsen.